Voorwoord

Bijna alle informatie over het heelal buiten ons eigen zonnestelsel komt uit waarnemingen van elektromagnetische straling: licht, radiogolven, röntgen- en gammastraling, etc. Meestal begint een inleidend college sterrenkunde daarom met een behandeling van de basiseigenschappen van elektromagnetische straling, gevolgd door de afleiding van de eigenschappen van sterren uit waarnemingen van sterlicht (dit is een van de grote triomfen van de astrofysica). In dit college pakken we het anders aan. De licht- sterfysica komen aan de orde in het college Sterrenkunde IB. Het onderdeel Sterrenkunde 1A is gericht op een beschrijving van de topografie, kinematica en dynamica van de hemellichamen. Wat zijn er voor objecten in het heelal, hoe groot en hoe ver verwijderd zijn ze, hoe bewegen ze, en onder invloed van welke krachten maken ze die bewegingen. Dit maakt het mogelijk zeer snel te komen tot het schetsen van een fysisch wereldbeeld en direct door te stoten tot een aantal van de belangrijkste resultaten en vraagstukken van de moderne sterrenkunde: planetenstelsels, relativistische objecten, ontbrekende materie, het uitdijend heelal. Het gaat hier naar mijn mening om onderwerpen waar ieder beschaafd mens iets van zou moeten afweten, en zeker een beta-wetenschapper. De benodigde fysica zal vooral bestaan uit (klassieke en speciaal-relativistische) mechanica. Af en toe zal een beroep gedaan moeten worden op resultaten over elektromagnetische straling en andere takken van de natuurkunde die pas later in detail aan de orde kunnen komen.

Doel van het college

Een klein aantal basisbegrippen uit de sterrenkunde leren beheersen. Belangrijker, een idee hebben van de meest fundamentele eigenschappen van het heelal om je heen, ordes van grootte kunnen schatten, weet hebben van onzekerheden. Kennis maken met de kernvragen van de moderne sterrenkunde.

M. van der Klis
michiel@astro.uva.nl
10 september 1999

[INDEX]