7.2.3 Milliseconde radiopulsars
De meeste radiopulsars zijn enkele sterren, maar sommige zitten in dubbelsterren. Dit zijn vaak de radiopulsars met de kortste rotatieperiodes, de zogenaamde milliseconde radiopulsars (met periodes van ongeveer 1.5 tot 100 ms). In enkele van deze gevallen is de begeleidende ster ook een neutronenster

Er zijn nog geen gevallen bekend van twee radiopulsars die om elkaar heen draaien, of van een radiopulsar en een zwart gat in een baan om elkaar heen. Hier wordt wel naar gezocht, ondermeer met de PuMa pulsarmachine op de grote Nederlandse radiotelescoop te Westerbork.

Milliseconde radiopulsars vormen een uniek experiment in de natuur. Wegens de wet van behoud van impulsmoment is zo'n pulsar een bijna ideale klok, die elke rotatieperiode een ``tik'' (radiopuls) uitzendt. De ``1.5 milliseconde pulsar'' PSR 1937+214, een ``alleenstaande'' pulsar, heeft bijvoorbeeld een pulsperiode van 0.001 557 806 448 872 750 0.000 000 000 000 000 030 s, een van de nauwkeurigst bekende waardes in de fysica.

De pulsperiode van PSR 1937+214 verandert heel langzaam, met een, ook heel goed bekende, snelheid, ten gevolge van het verlies aan energie en impulsmoment. De bovenstaande pulsperiode is voor 1982.2

Ten gevolge van het Dopplereffect verandert de gemeten pulsperiode met de onderlinge snelheid van aarde en pulsar. Het gaat hier om hetzelfde effect als bij de trillingstijd van het licht (§5), alleen is de periode hier veel langer (namelijk: de rotatieperiode van de neutronenster in plaats van de trillingsperiode van een elektron). Als de aarde de pulsar nadert is de gemeten pulsperiode dus iets korter, en vice versa. In metingen aan milliseconde pulsars zijn de bewegingen van alle planeten en vele manen en planetoïden in ons zonnestelsel terug te vinden via de minuscule verstoringen die ze in de aardbaan teweegbrengen.


[INDEX]