7.2.2 Radiopulsar
Een neutronenster die als radiopulsar waarneembaar is ontleent de energie voor het uitzenden van de radiopulsen aan zijn rotatie. Deze neutronensterren zijn sterk gemagnetiseerd, met aan hun oppervlak magnetische veldsterktes van 10 tot 10 Gauss (het magnetisch veld aan het oppervlak van de aarde is 1 Gauss; 1 Gauss = 10 Tesla). Bewegende magneten wekken elektrische velden op; de bij een roterende magnetische neutronenster opgewekte velden zijn sterk genoeg om bij de magneetpolen een stroom van geladen deeltjes, tegen de enorme zwaartekracht in, uit het oppervlak van de ster te trekken en tot relativistische snelheden te versnellen. Deze versnelde geladen deeltjes produceren bundels elektromagnetische straling, ondermeer radiostraling, en deze bundels zwaaien als vuurtorenlichten, met de rotatie van de neutronenster mee, door het heelal (Fig. 63). Met deze bundels wordt rotatie-energie en impulsmoment aan de ster onttrokken, en het gevolg van dit proces is dat de ster (heel) geleidelijk aan langzamer gaat draaien. Als zo'n bundel over de aarde strijkt meten wij een puls radiostraling. De pulsperiode van zo'n radiopulsar is dus de rotatieperiode van de neutronenster. Onregelmatigheden die in de rotatieperiode gemeten worden verschaffen informatie over de inwendige struktuur van de neutronenster. Er zijn meer dan 1000 radiopulsars bekend.

Figuur 63: Model van een radiopulsar. De magneetpolen vallen net als bij de aarde niet samen met de rotatiepolen.


[INDEX]