6.1.1 Massafunctie
Een meting van kan gebruikt worden om iets te zeggen over de massa's van de sterren. Als we de radiële snelheidsamplitude van ster 1 kennen, dan kan uit de derde wet van Kepler zoals afgeleid in §4.3 rechtstreeks de zogenaamde massafunctie van ster 2 worden afgeleid


(Deze afleiding wordt op het werkcollege gedaan.)

Je ziet dat, voor vaste en , hoe groter de massa van ster 2, hoe sneller ster 1 in zijn baan beweegt. Dat is logisch, omdat ster 1 zich beweegt onder invloed van de zwaartekracht van ster 2. Dus de beweging van ster 1 zegt iets over de massa van ster 2!

Als we behalve ook nog kunnen meten, dan hebben we twee vergelijkingen met twee onbekenden en kunnen we beide massa'a afzonderlijk oplossen (op de factor na). Dit soort metingen levert een van de belangrijkste controles op van de theorieën van sterstructuur. Deze komen aan de orde in het college Sterrenkunde 1b. Er blijkt goede overeenstemming tussen theoretische en gemeten massa's. De helderste sterren (8 maal zo lichtsterk als de zon) hebben massa's van 60 .

Omdat tussen de 0 en 90 ligt is tussen 0 en 1. Omdat verder , levert deze uitdrukking een ondergrens voor op (voor de niet meetbare ster dus): met zekerheid geldt . Dit is van groot belang bij ondermeer het meten van de massa's van zwarte gaten (zie §7). Als de ondergrens niet interessant is, dan moet je op de een of andere manier aan schattingen voor en zien te komen (bijvoorbeeld met behulp van spectroscopie). Deze situatie doet zich voor bij het zoeken naar andere planetenstelsels. Omdat het daar vaak gaat om nabije, normale sterren is over het algemeen goed te schatten uit het sterspectrum.


[INDEX]