6.1 Spectroscopische dubbelsterren

In spectroscopische dubbelsterren zie je periodieke verschuivingen in de spectraallijnen optreden, die wijzen op periodieke veranderingen in de radiële snelheid. Deze worden veroorzaakt door de baanbeweging van de ster (Fig. 46). De radiële snelheidskromme geeft de radiële snelheid als functie van de tijd. Voor een cirkelbaan heeft deze kromme een sinusvorm. Op de twee van ons uit gezien ``buitenste'' punten B en D van zijn baan zal de ster de grootste radiële snelheid van ons af of naar ons toe hebben.

Figuur 46: De vorming van de radiële snelheidskromme van een ster in cirkelbaan ABCD voor =90. Als dan is de baan ``gekanteld'' om de lijn BD.

Toch hoeft op deze punten niet gelijk aan de baansnelheid te zijn: dit hangt af van de hoek die het baanvlak maakt met de gezichtslijn. Als bijvoorbeeld het baanvlak loodrecht staat op de gezichtslijn (de inclinatie is dan 0), dan is de radiële snelheid altijd nul. Alleen als we precies van opzij tegen de baan aankijken (de gezichtslijn ligt in het baanvlak; de inclinatie is 90), dan is op de twee uiterste punten B en D de radiële snelheid gelijk aan de baansnelheid.

Figuur 47: Relatie tussen snelheid en radiële snelheid op punten B en D van de baan in Fig. 46.

De juiste waarde van op punten B en D is , waar de inclinatie van de baan is; dit is de hoek tussen baanvlak en hemelvlak (Fig. 47). De radiële snelheid wordt als functie van de positie van de ster in zijn baan gegeven door (Fig. 46).
Dit zie je door eerst in het baanvlak de snelheidsvector op de lijn AC te projecteren, en daarna deze geprojecteerde vector op de gezichtslijn te projecteren.
De grootheid is dus de amplitude van de waargenomen radiële snelheidskromme. Voor elliptische banen treden ten gevolge van de wet der perken snelheidsveranderingen op en zijn de radiële snelheidskrommes ingewikkelder.

[INDEX]