2.11 Roodverschuiving
De golflengte van het licht dat wij ontvangen van de verre melkwegstelsels is een stuk langer dan toen het werd uitgezonden: dit staat bekend als de kosmologische roodverschuiving , gedefinieerd als


waar de waargenomen golflengte is en de oorspronkelijk uitgezonden golflengte. Voor de verst verwijderde melkwegstelsels en quasars is 5. Geinterpreteerd in termen van een vluchtsnelheid betekent dit dat deze objecten met zo'n 95% van de lichtsnelheid van ons af bewegen (zie §5). Een betere manier om het proces van kosmologische roodverschuiving te beschrijven is door te zeggen dat de afmeting van het heelal is sinds het licht werd uitzonden met een factor + 1 = 6 is toegenomen, en dat de golflengte van het licht is ``meegerekt''. De afstand is in deze gevallen niet meer te schatten door alleen van de Hubble-constante gebruik te maken, daar deze ``constante'' in de loop van de tijd verandert. Bovendien moet je je afvragen wat je met ``afstand'' eigenlijk bedoelt in een heelal dat terwijl het licht naar ons toereist zo sterk van afmeting verandert! Van nog eerder in de ontwikkeling van het heelal, uit de tijd dat het heelal ongeveer 1100 keer zo klein was als nu, stamt de 3 Kelvin achtergrondstraling, microgolf-straling overgebleven van de oerknal (§8).

Over de periode tussen de tijd dat het heelal 1100 en 6 keer zo klein was als nu bestaan geen waarnemingen, maar in principe zijn zulke waarnemingen wel mogelijk. Rechtstreeks waarnemingen doen aan processen in de vorming van het heelal van voor = 1100 wordt moeilijk, omdat het heelal toen nog niet, zoals nu, transparant was voor straling. Volgens sommige, nog speculatieve theorieën (inflatietheorieën) is er in de eerste 10-32 s van het heelal een enorme schaalvergroting (inflatie) opgetreden en is het heelal zo'n 1052 keer zo groot als het stukje van een paar Gpc dat wij ervan kunnen zien (de precieze getallen zijn in verschillende versies van deze theorieën nogal verschillend).


[INDEX]