2.4 Nabije sterren

Figuur 18: Afmetingen van nabije sterren (binnen de 12 lichtjaar), inclusief de zon.

Figuur 19: Nabije sterren (binnen de 12 lichtjaar). Posities in de ruimte gezien vanuit de richting van het sterrenbeeld Stier. De sternummers van Fig. 18 en 19 stemmen overeen.

Figuur 20: Heldere sterren in de bekende sterrenbeelden Orion en Grote Beer staan op tientallen tot honderden lichtjaren afstand.

De dichtstbijzijnde ster na de zon is het rode dwerg-sterretje Proxima Centauri, op 4.23 lichtjaar, dat met de dubbelster Centauri (4.35 lichtjaar) een drievoudig systeem vormt. In de onmiddelijke omgeving van de zon, binnen de 12 lichtjaar, bevinden zich 9 sterren die in afmeting vergelijkbaar zijn met de zon. Verder zijn er 16 rode dwerg-sterretjes bekend, en twee witte dwergen (Fig. 18, 19). Dit geeft een aardige indicatie van de sterpopulatie in het melkwegstelsel: kleine sterren, zoals de zon en kleiner, zijn veruit in de meerderheid. Veel van de heldere sterren die aan de hemel met het blote oog te zien zijn behoren juist tot de minderheid die groter zijn dan de zon en een veel grotere lichtkracht hebben (Fig. 20). Dit is een selectie-effect veroorzaakt door het feit dat heldere sterren nu eenmaal tot op veel grotere afstanden zichtbaar zijn. Selectie-effecten treden in de sterrenkunde overal op; je moet je altijd afvragen of wat je ziet wel representatief is voor wat er bestaat, of dat er een bias is doordat sommige zaken makkelijker te zien zijn dan andere.

Nog in januari 1996 werd er een nabije ster ontdekt: de rode dwerg GJ 1061, op een afstand van maar 12.06 lichtjaar. Er zouden zich nog wel meer lichtzwakke objecten in de onmiddelijke nabijheid van de zon kunnen bevinden. Onbekende zware planeten die in de verre buitendelen van het planetenstelsel ronddraaien ("Planet X", "Nemesis") bijvoorbeeld. Het is onbekend waar zich het dichtstbijzijnde zwarte gat of de dichtstbijzijnde neutronenster bevinden (zie §7). De dichtstbijzijnde bekende neutronenster (§7) zou Geminga kunnen zijn. Dit is de helderste bron van gamma-straling aan de hemel, in 1973 ontdekt met de Amerikaanse SAS-2 satelliet. In 1992 bleek het een zwakke röntgen-pulsar (§7) te zijn, en dus een neutronenster (zie §7). In 1996 werd zijn parallax (§3.2) gemeten met de Hubble Space Telescope: de afstand is ongeveer 160 pc.


[INDEX]